Het roze briefje

Wat een zaligheid dat de Centrale As ein-de-lijk klaar is! In een dikke tien minuten (nou vooruit, eigenlijk zijn het er dertien maar ik rond het graag af naar beneden) vlieg ik van mijn erf naar mijn werk. Werkelijk een zaligheid. Waar ik voorheen altijd door alle dorpjes tufte waar het overigens wemelde van de flitspolities zoef ik nu in een (bijna) rechte lijn naar mijn werk.

Heb jij dat wel eens dat je tijdens het auto rijden net zo’n auto ziet rijden waar jij dan ook in rijdt en denkt: “cool, zo zie ik er dus ook uit… ” (insert opgetrokken wenkbrauw) Nee? Ik wel. Vooral wanneer het auto’s zijn met een bepaalde herinnering eraan. Van die karretjes die je doen smelten, die je hartje weer sneller doen kloppen ondanks hun afzichtelijke verschijning, gewoon, omdat ze zo snoezig zijn?

Het mag op zich al een wonder heten dat ik überhaupt in een auto rijd. Er bestaat een menselijk ras die werkelijk niets in het leven ‘normaal’ doen.  Die alles met een omweg lijken te moeten doen en meer dan gemiddeld obstakels tegenkomen voordat ze hun doel bereiken. Ik behoor ook tot dat ras. Als met zoveel andere dingen was dit ook met het behalen van mijn rijbewijs het geval.

45-km-auto-achensa-1

Het had zomaar zo kunnen zijn…

Ik heb er in totaal een keurige zeven (!) keer over gedaan alvorens ik mijn rode ros mocht gaan berijden. Of nou ja, eigenlijk die van mijn moeder maar het voelde alsof het mijn eigen was. Ik begon met lessen op mijn achttiende verjaardag, nog in de veronderstelling dat ik dat varkentje wel even zou wassen. Het leek uiteindelijk wel een complete varkenshouderij wat gewassen moest worden. In die Liewe, wat een drama.

Nou dient dit verhaal wel enigszins genuanceerd te worden want ik had de pech bij een corrupte rijinstructeur belandt te zijn (ik zei toch al dat bij mij niets normaal gaat??) Maar daar kwam ik pas achter toen ik na vijf afrijd / examen-pogingen besloot om het wellicht eens ergens anders te gaan proberen. Toen werd de man in kwestie zo boos dat hij tegen me riep dat hij me wel zou krijgen. En dat heeft hij getracht tot en met de rechtbank waar ik overigens met gierende bandjes de parkeergarage uitgevlogen ben mijn vader beklemd aan het handvat van het dak met zweetdruppels over zijn hoofd. In de Fiat Panda welteverstaan.

De ene na de andere poging mislukte jammerlijk en mijn rijbewijs, dat felbegeerde roze briefje wat ooit zo dichtbij leek, leek steeds verder weg te zakken. Het werd steeds meer een illusie dan werkelijkheid ooit eens in een fatsoenlijke auto te kunnen rijden. Op een gegeven moment had ik zelfs berust in een 45-kilometer autootje. Dat zou vast mijn lot  worden; daar mocht je namelijk in rijden zónder rijbewijs. Hoera voor mij. Ik zou me in elk geval droog kunnen verplaatsen.

Maar de lessen bij de nieuwe instructeur vingen aan en ik stortte me wederom strijdlustig in het rijavontuur, in de Renault Mégane (zo’n leuk opgeschoten kontje reed natuurlijk stukken beter dan die schijtkar waar ik het in had geleerd.) De leswagen van mijn vorige instructeur riekte naar dode hond. Dit kwam omdat de instructeur zelf al bijna ontbonden was: oud, bezweet en had slechts twee voortanden die zich ‘zijn gebit’ mochten noemen.

Enfin, ik stapte in, en, reed weg. De grote weg op richting Leeuwarden. Daar vloog ik als een volleerd chauffeuse over de weg. Spiegeltje, spiegeltje rechterschouder, spiegeltje spiegeltje linkerschouder ennnn de bocht om. “nooouwww, vlot bochje van der Meulennnn” riep de instructeur met een nasaal stemgeluid. Dit beloofde vast veel goeds, het tempo zat er mooi in.

14178744695_0b0b0e9682_c

Net z’n zusje

Niets bleek minder waar. Ik had een rijstijl die van voren af aan bijgeschaafd diende te worden. Het was geen wonder dat geen examinator me  liet slagen; ik reed als een debiel. Ik weet nog dat ik eens niet wist waar de ruitenwissers zaten onder het afrijden… Ik schaamde me werkelijk dood maar mocht deze nooit aanzetten onder het lesrijden van de instructeur met twee tanden. “dan slijten de ruitenwissers’ was zijn reden “je kijkt maar tussen de druppels door”. Je gelooft het bijna niet he? Nou toch is het waar. De hellingproef deed me bijna sterven van schrik. Hij legde niet uit wat er moest gebeuren maar liet me een helling oprijden, stoppen, en terugrollen. En ik had geen idee wat ik moest doen. Dus keek hij me schaapachtig aan en zei dat ik de auto had vernield. Want hij rolde zomaar naar achteren… Ik kon maar beter naar Amerika verhuizen vond hij, want daar woonden allemaal van die rare mensen… (ha.ha.ha. L)

Toen ik voor het eerst na een aantal lessen  van mijn nieuwe instructeur moest afrijden scheet ik bagger en verknalde het hele ritje door de zenuwen terwijl ik inmiddels gewoon reed alsof ik niet anders deed (dat mocht ook wel na duizend rijlessen of niet soms?) Maar na de tweede slaagde ik. Ik weet niet omdat het was omdat ik zo goed reed of omdat de examinator krankzinnig werd van de duizendste vraag van mij of hij ‘misschien al wist of ik geslaagd was ja of nee’… Dit vroeg ik hem na elke honderd meter zeg maar…

Eenmaal in het bezit van mijn briefje was de rode Fiat Panda van mama het haasje. Och het was ook echt zo’n schattig haasje ook. Zo’n lief vierkant bakkie met vier wieltjes en een leuk toetertje erop. Het walicences de auto waarin ik mijn vaardigheden eindelijk tentoon kon stellen en mijn eerste kilometers mocht wegeten. Bijna net zo klein als een 45 Kilometer wagentje, maar het was het niet.

Ik ging ermee naar de disco, vloog ermee door ons hek, deed er grote boodschappen mee (een letterlijk gevalletje van ‘k heb mijn wagen volgeladen’ en mocht ermee naar school wanneer ik eens niet met de bus wilde. Wat een euforie. De Pinda noemden we hem ook wel liefkozend. Mijn moeder en ik tenminste, mijn broer had werkelijk de tyfus aan het karretje. Hield er beslist niet van. Gaf meer de voorkeur aan zijn eigen segment: Ford Escort… Zo’n vieze witte nog wel…tssss.

Maar toen op een dag, moest de Pinda verdwijnen. En niet gewoon verkocht ofzo, neen, hij diende afgevoerd te worden naar de lokale schroothoop. In. De. Pers. Ermee … Wat een rotdag. Wat een ellende was het en wat weer een tranendal. Het lieve kleine Panda’tje zou vernietigd worden. En alsof dat nog niet erg genoeg was, was ik de aangewezen persoon om hem erheen te rijden. Say whaaaaat?? Ja mensen, ik moest het doen.

Zijn laatste meters weigerde hij nog een meter te rijden en verzoop me tijdens het choken midden op de rotonde waarna ik zeker wist dat auto’s konden denken, net als Herbie. En als we niet zouden oppassen meer als Christine… that develish car… En daar stond ik dus, samen met Panda, klaar om zijn laatste reis af te leggen.

Ik vind het nog steeds tenenkrommend en tranentrekkend wanneer ik eraan terugdenk. Het liefst vergat ik dit hele drama, maar ja, ík zag net zo’n klein Pindaatje over de snelweg vliegen en dan komt alles in alle hevigheid weer naar boven. Het is niet anders. Je moet door dalen om de schoonheid van het leven weer te kunnen zien. Om weer te waarderen wat je daarna krijgt. Dus slikte ik mijn tranen weg en was benieuwd wat er na de Pinda kwam. Wat ik toen kreeg? Een Renault bestelwagen met gaten in de bodem. Hoi. Hoi. Hoi. Mooier konden ze het niet maken, wel akeliger…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s